rg304

Metaforen

Om je verhaal van geloof opnieuw te vertellen is het goed om te zoeken naar nieuwe metaforen. Geloof en gelovige zijn veel gebruikte woorden maar leiden vaak tot verwarring. Er zijn ook andere woorden mogelijk, zoals spel en speler, dans en danser, ritme en muzikant.

Opdracht: onderzoek alternatieve woorden op over geloof te kunnen spreken. Oefen deze woorden in je omgeving. Pakken mensen je nieuwe woorden op? Wat kun je er van leren?

1) Rob Bell – Rhythm – over geloof als muziek.

2) The Dubliners – Lord of the Dance – over geloof als dans.

Check hier een mooie uitleg door Reinier Sonneveld op Lazarus over geloof als dans.

3) Homo Ludens. Proeve ener bepaling van het spelelement der cultuur

(Johan Huizinga 1938, samenvatting door Nienke Muurling)

“Het spel bindt en verlost. Het boeit. Het bant, dat wil zeggen betovert. Het is vol van die twee edelmoedigste hoedanigheden, die de mens in de dingen kan waarnemen en zelf kan uitdrukken: ritme en harmonie” (Huizinga 1997 [1938]: p.25)

In Homo ludens stelt de historicus Huizinga dat spel ouder is dan cultuur. Hij gaat in zijn boek dan ook niet zozeer op zoek naar de plaats die spel inneemt te midden van andere cultuurverschijnselen, maar vraagt zich af in hoeverre cultuur zelf een spelkarakter heeft: cultuur begint niet als spel en niet uit spel, maar in spel (ibidem: p.102), en dan met name in wedijverend spel waarbij “..dan tijdelijk de wedkamp het cultuurleven overwoekert en als het ware zijn ludiek, zijn gewijde en zijn culturele waarde verliest…” (ibidem: p.102). Huizinga onderscheidt zes spelkenmerken.

Spel is op de eerste plaats vrij. Zodra het verplicht is, is het geen spel meer. Spel is een vrijwillige bezigheid en heeft te maken met vrijheid. Voor de volwassen mens is het een functie die hij ook zou kunnen laten. Spel is overvloedig en wordt noch door fysieke nood noch door morele plicht opgelegd. Pas op het moment dat spel een cultuurfunctie wordt, raken begrippen zoals moeten, taak en plicht eraan verbonden.

Het tweede spelkenmerk is serieus. Spel is niet alledaags, niet banaal. Het is niet het ‘gewone’ leven, maar het is een uittreden daaruit in een tijdelijke sfeer van activiteit met eigen strekking. Het is een verpozing en het versiert het leven. Bovendien wordt het in opperste geconcentreerdheid gespeeld. In religie heet deze opperste concentratie devotie, toewijding. Spel kan als gewijde handeling het heil van een groep dienen.

Een spel is ook begrensd en afgesloten. Dit is het derde spelkenmerk. Het ‘speelt’ zich af binnen grenzen van tijd en plaats en heeft daarmee een focale werking. Het is gefocust op een bepaalde tijd en plaats, waarbij de aanwezigheid van de spelers een vereiste is. Zodra het spel gespeeld is, blijft het als een schat in de herinnering achter, het wordt (al dan niet mondeling) overgeleverd en kan altijd herhaald worden.

Het vierde spelkenmerk is spanning. Spel is orde en schept orde. Binnen de speelruimte van speciale tijd en plaats heerst een eigen en volstrekte orde, die absoluut is. Het spel is gespannen en spanning wil zeggen onzekerheid of kans. Met een zekere inspanning moet ‘iets’ (ge-)lukken. Het resultaat is objectief gezien onbetekenend. Maar voor de spelers ligt dit anders. Zij spelen wel degelijk om ‘iets’. Niet om het materiële resultaat, maar om het ideële feit dat het spel ‘geluk-t’ is. Het gelukken is bevredigend. Spel heeft ook de neiging ‘schoon’ te zijn (aesthetische functie). Begrippen die Huizinga aan schoon verbindt, zijn spanning, evenwicht, balancering, beurtwisseling, contrast, variatie, binding, ontknoping en oplossing. Er is een streven naar ontspanning.

Het vijfde spelkenmerk is waar. Spel heeft regels, die volstrekt bindend en onbetwijfelbaar zijn. De regels klampen zich vast aan attributen waarmee de spelers een schone wereld (kosmos) creëren. Ten opzichte van de regels is geen scepticisme mogelijk. De spelers moeten de regels voor waar aannemen. Zodra een speler ze overtreedt, stort de spelwereld in. De spelbreker bedreigt hiermee het bestaan van de spelgemeenschap: hij onthult de broosheid en betrekkelijkheid van de spelwereld, terwijl de valsspeler nog wel uitgaat van de regels die waar zijn en dus mede de ban van het spel overeind houdt.

Het zesde kenmerk ten slotte is identiteit. Spel creëert een spelgemeenschap, die de neiging heeft om blijvend te worden, ook al is het spel afgelopen. Het gevoel samen in uitzondering te verkeren, samen een gewichtig ding te delen en samen zich van anderen af te scheiden, strekt zich verder uit dan de duur van een enkel spel. Er ontstaat een band van intimiteit en vertrouwdheid tussen de spelers, omdat zij allen hetzelfde ervaren en dus elkaar begrijpen. Gemeenschappen hebben een lange levenscyclus, die door de tijd heen loopt, waardoor een traditie kan ontstaan en bestaan.